Nieuws
Peter van der Ploeg leest: Een passie voor de Sakura

Peter van der Ploeg is in het dagelijks leven directeur van Huygens’ Hofwijck. In zijn vrije tijd is hij een fervent lezer. En over wat hij leest, schrijft hij wekelijks een blog op Vlietnieuws. Deze keer gaat het allemaal om een passie voor de Sakura.

Nu de lente al heel vroeg én plotseling lijkt te zijn losgebarsten, verlang je onwillekeurig naar wat meer kleur in de natuur. In onze gemeente komen die lentekleuren voor een groot deel op conto van de sierkers, de Japanse kersenbloesem, die op veel plekken is aangeplant. Onlangs verscheen over die bomen een verrassend boek, waarin wordt beschreven hoe een Engelsman de cultuur van de kersenbloesems in Japan hielp te overleven en tegelijk de boom in Engeland, en daarmee ook op het vasteland van Europa, populair wist te maken.

Het is ieder voorjaar opnieuw een gebeurtenis die heel Japan in haar greep houdt: de bloei van de kersenbloesem, de sakura. De knoppen ontluiken het eerst op Kyushu, het meest zuidelijke en subtropische eiland. Dan kruipt het noordwaarts, via Shikoku en het hoofdeiland Honshu naar het noordelijke en koude Hokkaido. Er zijn appjes die je dagelijks op de hoogte houden van de voortgang en je de beste plekken wijzen. Veel buitenlandse toeristen, waarvan de meesten dit fenomeen waarschijnlijk voor het eerst aanschouwen, plannen hun reis om de te verwachten bloei heen. Voor de Japanners zelf is het een oude traditie, een feest dat je met je familie, je vrienden maar zeker ook met je collega’s viert. In een park als Ueno bijvoorbeeld, in Tokio, worden al vroeg in de ochtend de eerste plastic kleden uitgespreid, waarop tijdens de lunch of na het werk de gezamenlijke picknick wordt gehouden. En zoals die kleedjes bijna altijd hemelsblauw zijn, zo zijn de kersenbloesems in de steden en dorpen bijna zonder uitzondering fel roze, de kleur van de negentiende-eeuwse gekweekte variëteit somei-yoshino. In een land waar de traditie van de sakura al duizenden jaren oud is en waar op het platteland en in bergachtige streken de wilde kers in vele variëteiten en kleuren bloeit, is die uniformiteit in de steden toch wel opmerkelijk.

In haar onlangs verschenen boek ‘Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde’ doet Naoko Abe uit de doeken hoe dit zit.

Abe’s boek is een combinatie van een biografie van een man en een biografie van een fenomeen. De eerste is het leven en werk van de Engelsman Collingwood Ingram (1880-1981), de tweede de geschiedenis en contemporaine cultuur van de Sakura, de Japanse kersenbloesem. Dat deze twee zaken verband houden met elkaar is het gevolg van een min of meer toevallige samenloop van omstandigheden. Collingwood, zoon van een puissant rijke krantenmagnaat en daardoor zijn leven lang financieel onafhankelijk, had al op jonge leeftijd een grote liefde voor de natuur. Het buitenhuis van zijn ouders, in Westgate-on-Sea, vormde een ideaal startpunt voor wandelingen in de duinen en langs het strand. Vogels fascineerden hem, en door zelfstudie groeide hij uit tot een vooraanstaand ornitholoog. Omstreeks 1920, na dienst te hebben gedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog, betrok hij met zijn vrouw en jonge kinderen het landgoed The Grange in Benenden, een dorpje in het hart van Kent. Direct naast het huis stonden twee Japanse sierkersen. In de zomer dat het gezin Ingram verhuisde was daar niets aan te zien, maar in het daaropvolgende voorjaar werd Collingwood verrast door de bloemenpracht die zijn hele tuin opfleurde. Dat was het begin van zijn fascinatie voor de Japanse sierkers. Vogels kwamen voortaan op de tweede plaats.

Met dezelfde energie waarmee hij zich had opgewerkt tot een bekende ornitholoog, stortte hij zich nu op de sakura. Hij was bekend met Japan, hij had daar in 1902 enkele maanden rondgereisd op zoek naar bijzondere vogels. En in Engeland was de Japanse sierkers geen onbekende. Maar kenners bevonden zich uitsluitend in Japan. Binnen enkele jaren wist hij die situatie bij te stellen. Op The Grange plantte hij tientallen sierkersen, voor een groot deel gekocht bij Japanse kwekerijen. In 1926 reisde hij twee maanden lang door Japan, op zoek naar nieuwe soorten. Hij had de reis grondig voorbereid, sprak met kwekers en andere kenners, legde contacten met vermogende verzamelaars en trok de bergen in, op zoek naar zaailingen van onbekende wilde kersen. De tocht zou een geweldige investering blijken te zijn, hij had er de rest van zijn leven plezier van. En zijn tuin herbergde vanaf nu de grootste collectie sierkersen in Engeland.

Collingwood publiceerde artikelen en boeken over de Sakura, perfectioneerde zijn enorme tuin tot een schatkamer met bijzondere sierkersen en sloeg zelf aan het kruisen. Abe, die nazaten van Collingwood sprak, vertelt daar prachtige verhalen over. Het mooiste is dat van de eindeloze pogingen om loten (stekken) van bijzondere sierkersen van Engeland naar Japan te krijgen zonder dat deze onderweg uitdroogden of juist beschimmelden. Dat speelt zich af omstreeks 1930. Tijdens zijn bezoek aan Japan in 1926 had Collingwood ontdekt dat sommige soorten heel bijzondere sierkersen in Japan hoogstwaarschijnlijk vrijwel uitgestorven waren. Maar daarvan stonden inmiddels wel mooie jonge exemplaren in zijn tuin op The Grange. Hij beloofde zijn Japanse relaties daarvan stekken te sturen. Maar hoe doe je dat, hoe hou je die gedurende een reis van minimaal zes weken in leven? En kies je een route per boot over de warme en vochtige evenaar, of stuur je ze langs een noordelijker weg? Na vier jaar van grotendeels vruchteloze pogingen ontdekten hij en zijn Japanse vrienden het geheim: in een thermoskan! Je creëert dan een microklimaat.

En hoe zit het met die uniformiteit waarmee ik dit blogje begon? Die neiging van Japanse overheden om in de openbare ruimte op grote schaal slechts één soort sierkers aan te planten? Dat heeft, naast het gegeven dat de felroze somei-yoshino een gezonde boom is, uitermate snel groeit – binnen tien jaar is ie volwassen – én aansluit bij de Japanse voorliefde voor een uniforme, strakke ordening, ook te maken met de ontwikkeling van de status van de sakura in de Japanse cultuur. Abe gaat daar uitvoerig op in, met talloze voorbeelden van de rol van de boom in klassieke poëzie en het imago van Japan dat de machthebbers vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, de Meijperiode waarin Japan zich openstelde voor de buitenwereld, graag uitdroegen. Zelfs voor de kamikazepiloten die zich tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog te pletter vlogen op geallieerde schepen  speelde het een rol, waarvan hun afscheidsbrieven en de op hun vliegtuigen geschilderde kersenbloesems getuigen.

Toen Collingwood in 1920 met sierkersen aan de slag ging, was de boom buiten Japan wel bekend maar niet heel populair. In Engeland bestond, heel praktisch,  een voorkeur voor de kersenboom die vruchten opleverde die je kon eten. Aan het eind van zijn lange leven kon hij tevreden vaststellen dat zijn bemoeienissen niet voor niets waren geweest. In Japan had hij bijgedragen aan de bewustwording om een gevarieerde populatie in stand te houden, terwijl de boom in Engeland een geliefde verschijning was geworden.

Naoko Abe / Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde / Vertaald uit het Engels door Fred Hendriks / 431 blz / Thomas Rap.