Nieuws
Peter van der Ploeg leest: Cornelis Musch

In zijn alweer veertigste bijdrage verhaalt Peter van der Ploeg (directeur van Huygens’ Hofwijck en verwoed lezer) over een machtige boef: Cornelis Musch. 

Cornelis Musch was van 1628 tot 1650 griffier van de Staten-Generaal der Nederlanden. In die functie was hij de spin in het web van het bestuur van de Republiek, een van de machtigste mannen van zijn tijd. Cornelis Musch was ook een boef. De mate waarin hij corrupt was, is legendarisch. Wikipedia meldt dat feit zelfs in de eerste zin van zijn biografie. Jean-Marc van Tol koos deze machtige boef als centrale figuur voor het eerste deel van zijn ambitieuze trilogie over Johan de Witt. Daarin laat hij zien hoe in het jaar 1650 de machtsverhoudingen in de Republiek zich wijzigen, hoe de Oranjes tijdelijk op een zijspoor worden gezet en de jonge Johan de Witt zijn eerste stappen zet richting de positie van raadpensionaris. Van Tol laat ons deze ontwikkelingen van heel nabij meemaken, door de ogen van de direct betrokkenen. Een adembenemende ervaring.

De onheilspellende openingspassage van de roman zet de toon: ‘Als u dit leest, ben ik dood. Mijn einde is onvermijdelijk. Wanneer ik de laatste zin van dit gedenkschrift geschreven heb, leg ik mijn pen neer – voor eeuwig – en begeef me naar zolder. Daar pak ik een stoel, ga erop staan, doe de strop om mijn nek en zal ik mezelf verhangen. Mijn vijanden zullen eindelijk krijgen waar ze al die jaren om smeekten: de doodsstuipen van een mus.’

Voor het zover is, pent Musch in zijn koude en lege huis – zijn vrouw en bedienden hebben hem verlaten – aan de Haagse Kneuterdijk zijn herinneringen neer. Hij ontziet daarin zichzelf noch anderen, hoopt zoveel mogelijk van zijn vijanden mee te sleuren in zijn val. Corruptie, machtsmisbruik, politieke afpersing en meer van zulke zaken vormen het fundament waarop hij zijn politieke loopbaan heeft gebouwd. Dat hij heeft besloten er een eind aan te maken, komt omdat het net zich langzaam om hem sluit. Het is december 1650, een paar maanden eerder is stadhouder Willem II, de prins van Oranje, overleden aan de pokken. Dat gebeurde kort nadat diens veldtocht tegen de stad Amsterdam jammerlijk mislukte. Na de dood van Willem kantelt het machtsevenwicht. Willems opvolger, zijn zoon Willem III, is dan net geboren en kan dus geen rol vervullen. De provinciën, met Amsterdam voorop, voelen niet langer de behoefte aan een stadhouder, de oorlog met Spanje is immers twee jaar daarvoor geëindigd. Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk wordt daarmee realiteit. Dat betekent ook schoon schip maken, afrekenen met veel waar Oranje voor had gestaan. Musch, die zich vanaf het begin van zijn loopbaan nauw verbonden had gevoeld met de Oranjes, hoort daar ook bij. Dit, en zijn ambtelijke misdrijven, doen hem de das om.

Van Tol, die ook bekend is als de tekenaar van Fokke & Sukke, is opgeleid als historicus. Naast zijn tekenwerk is hij een dag per week als vrijwilliger-gastonderzoeker betrokken bij het project ‘De briefwisseling van Johan de Witt’ van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. Dit project beoogt de uitgebreide correspondentie van Johan de Witt wetenschappelijk te ontsluiten. Veel van dat materiaal is nooit eerder onderzocht, hij zit dus eerste rang zou je kunnen zeggen.

Naast Musch is de Johan de Witt de tweede hoofdpersoon van deze roman. We volgen hem in zijn kennismaking met het bestuur van de Republiek. De jonge Johan verblijft in 1650 in Den Haag als jurist. Hij bevindt zich op een belangrijk keuzemoment in zijn loopbaan. Zijn hart gaat uit naar de wetenschap, in het bijzonder de wiskunde, terwijl de (familie)omstandigheden hem richting een bestuurlijke loopbaan doen gaan.  Van Tol illustreert die gevoelsmatige spagaat mooi door De Witts contact met die andere jonge wetenschapper in Den Haag, Christiaan Huygens. Zij worden vrienden. Tegenspeler van de toekomstige raadpensionaris De Witt is Constantijn Huygens, Christiaans vader. Hij is in dienst van de Oranjes en door dik en dun trouw aan de familie. Hij zal desondanks een beslissende rol spelen in de val van Musch. Maar ook graaf Frederik van Dohna en graaf Willem Frederik van Nassau, stadhouder van Friesland, gezamenlijk belast met de leiding over de veldtocht tegen Amsterdam, komen aan het woord. Dat geldt ook voor de bestuurders van zes Hollandse steden, waaronder die van Dordrecht, Hoorn en Medemblik. Zij worden tijdens die opmars naar Amsterdam op last van Musch, namens Willem II, voor de zekerheid vastgezet op Slot Loevestein. Zij kunnen alleen vrijkomen wanneer ze trouw zweren aan de prins, wat ze weigeren. Door hun ogen beleef je hoe zij de politieke turbulentie ervaren. De keuze om op deze wijze gebruik te maken van meerdere vertelstemmen verleent het verhaal een hoge mate van authenticiteit.

Musch bevat prachtige beelden als je een beetje bevattelijk bent voor de magie van onze zeventiende eeuw: De onbeholpen uitvoering van de campagne tegen Amsterdam, en de manier waarop de troepen midden in de nacht op een landweg een afslag missen en door de weilanden gaan dwalen, niet wetend waar ze zijn; Musch die raadpensionaris Jacob Cats zijn dochter weet te ontfutselen en haar dan een ongelukkig huwelijk insleurt; of de manier waarop Musch op het Binnenhof steeds maar weer Constantijn Huygens tegen het lijf loopt die hem zo voorkomend en beminnelijk tegemoet treedt dat hij de man meer en meer gaat wantrouwen. Terecht, zoals zal blijken.

De roman speelt zich voor een belangrijk deel af in het centrum van Den Haag, het gebied rond de Hofvijver, het Binnenhof en het Stadhouderlijk Kwartier. Een groot deel van dat decor is bewaard gebleven, het is zelfs nog steeds het bestuurlijk centrum van ons land. Het is op meerdere niveaus dus gemakkelijk identificeren met de gebeurtenissen in het boek. Al gaat het er vandaag de dag wat transparanter aan toe. Toch?

Jean-Marc van Tol / Musch. Johan de Witt trilogie, deel I / 512 blz. / Uitgeverij Catullus, 2020 Binnenkort ligt deel 2 van de reeks, ‘Buat’, in de boekhandel.