Nieuws
Peter van der Ploeg leest: De grote boze wolf

Peter van der Ploeg heeft in zijn rol als directeur van Huygens’  Hofwijck al heel wat meegemaakt. Maar voor zijn echte avonturen duikt hij in een boek. En vertelt de bezoekers van Vlietnieuws daarover. Deze keer: De Grote Boze Wolf

De vraag of we in Nederland nog wel beschikken over natuur is voor mijn gevoel het meest kernachtig beantwoordt door de dichter J.C. Bloem. In zijn gedicht ‘De Dapperstraat’ klinkt het: ‘En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant’. Natuur in Nederland bestaat uitsluitend op miniformaat, zegt Bloem  met de eenvoudig ogende vanzelfsprekendheid die zo kenmerkend voor hem is. En daar kan hij best wel eens gelijk in hebben. Natuurlijk hebben we waardevolle natuurgebieden als Park De Oosterschelde en Park De Hoge Veluwe, en doen we op dit moment ons best om, in onze omgeving, Nationaal Park Hollandse Duinen van de grond te krijgen. Maar het blijft millimeterwerk, gezien in het grote geheel. Oneerbiedig gezegd een beetje puzzelen tussen verstedelijkte gebieden. Uitgestrektheid is ver te zoeken, en van een zelfvoorzienende biotoop is nagenoeg nergens sprake. En als we dit laatste dan toch eens proberen te realiseren, bijvoorbeeld in de Oostvaardersplassen, is vanuit de trein die het gebied doorsnijdt te zien dat het beslist geen overweldigende natuurbeleving oplevert. Kortom: laten we blij zijn met die kleine, bijzondere locaties die we hebben en het daarbij houden.

Waarom deze intro? Nu, enkele jaren geleden, in maart 2015, werden we in Nederland vanuit het niets geconfronteerd met een stukje oernatuur. Er liep namelijk vanuit Duitsland een wolf het land binnen. Dat was voor de media groot nieuws, om niet te zeggen breaking. Het NOS Journaal opende ermee. Schaapherders waren beducht voor hun kudde. Boeren in de omgeving sliepen met het hagelgeweer naast het bed. Ouders hielden hun kinderen binnen. Maar de wolf, voor zover die gedurende enkele dagen kon worden gevolgd door journalisten en liefhebbers, sjokte met zijn kenmerkende soepele loop door Groningen en het noorden van Drenthe alvorens weer oostwaarts aan te houden. Richting de uitgestrekte Duitse bossen, vol malse hertjes. Richting de natuur, weg van de kale Hollandse veenkolonies.

Ook Dik van der Meulen sprong bij de vroegste nieuwsflitsen in de auto. Hij wilde zich de kans niet laten ontnemen om de eerste wilde wolf in Nederland sinds een eeuw met eigen ogen te zien. Wolven fascineerden hem al sinds zijn jeugd, en bovendien legde hij in het voorjaar van 2015 juist de laatste hand aan een boek over het dier. Hij kreeg de schuwe immigrant niet te zien, maar maakte wel een mooie reportage over de ‘wolvenjagers’, liefhebbers die individueel of in groepjes bij meldingen van een wolf in actie komen en het dier achterna reizen in de hoop het te spotten. In de jaren daarvoor, werkend aan zijn boek, had hij dergelijke fanaten ook al ontmoet in Polen, Duitsland, Zweden, het Yellowstone National Park in de Verenigde Staten en een handvol andere plekken waar nog voldoende lege natuur was om grote roedels wolven te herbergen. Waar je de wolven dan wel niet kon naderen, maar waar je je midden in de nacht wel omringd wist door hun gehuil.

Dik van der Meulen is een ervaren schrijver en biograaf. In 2003 publiceerde hij de voorlopig ultieme biografie van Multatuli, in 2013 de biografie van koning Willem III, voor welke boeken hij respectievelijk de AKO Literatuurprijs en de Libris Geschiedenis Prijs in ontvangst mocht nemen. De grondige aanpak, heldere analyses en bevlogenheid die deze biografieën kenmerken, vinden we ook terug in het wolvenboek. Of het nu gaat om de biologie van de wolf, of om de vaak negatieve reputatie, of om z’n verbeelding in literatuur en kunst – denk aan zoiets simpels als Roodkapje en de hele symboliek eromheen: je vindt het in dit boek. Ook de wisselwerking tussen mens en wolf, en zelfs de spiegeling van aan beiden toegeschreven karaktertrekken komen aan de orde. Want, zoals de Romeinse auteur Titus Maccius Plautus al schreef, ‘De mens is voor zijn medemens een wolf’. En voor wie dan nóg meer wil weten, legt Van der Meulen geduldig uit hoe de rijksoverheid reageert op de steeds groter lijkende kans dat wolven vaker ons land zullen aandoen: Er is inmiddels op ministerieel niveau regelgeving geformuleerd! Want zonder dat kan de wolf hier natuurlijk niet rondlopen…

Een serieuze historicus is ook maar een mens. Dat is bij Van der Meulen niet anders. Dus aan trivia die niet de kern van de zaak raken maar in zeker opzicht wel fascinerend zijn, biedt hij geen weerstand. Zo weet ik nu waarom de wolf voor de nazi’s zo’n belangrijk symbool was, en waarom Hitler graag door zijn intimi Wolf genoemd wilde worden. Zijn eigen voornaam, Adolf, is namelijk een samentrekking van de Germaanse woorden ‘adal’ (edel) en ‘wulf’ (wolf) en betekent dus ‘edele wolf’. Tja.

Van der Meulen voelde gaandeweg zijn onderzoek, waarin hij wilde wolven uitsluitend vanuit de verte te zien kreeg, de behoefte er toch eens een aan te raken. Dus begaf hij zich naar een kennel in Duitsland, en liet zich fotograferen tussen twee ‘wilde’ arctische wolven. Er werd hem verzekerd dat dit veilig kon, maar hij lijkt op de foto toch niet heel gerust.

Dat ik enkele avonden zoet zou zijn met een boek over de wolf ligt wel enigszins buiten mijn comfort zone. Maar dit is dan ook meer dan een studie over de biologie van de wolf, Van der Meulens aanpak heeft geresulteerd in een complete  cultuurgeschiedenis van het dier. Ik doe daar mijn voordeel mee. De eerstvolgende keer dat ik Drs. P. zijn lied ‘Dodenrit’ hoor aanheffen, de ballade over de man die per slee op weg naar Omsk zijn hele gezin offert aan een roedel achtervolgende wolven, om die maar vóór te blijven – ‘Troika hier, troika daar, Twee halfom en één tartaar’ – zal ik me realiseren dat de wolf veel meer is dan een bloeddorstige moordenaar.

Dik van der Meulen / De kinderen van de nacht. Over wolven en mensen / 372 blz. / Querido’s Uitgeverij, 2016 / Foto auteur Tanja Askani