Nieuws
Peter van der Ploeg leest: ‘De heer Alberdink Thijm laat vragen …’

‘De heer Alberdink Thijm laat vragen …’ Ja wat? Dat wil ook de directeur van Huygens’ Hofwijck, Peter van der Ploeg weten. Daarom is deze veellezer deze week in de telefoonbriefjes van Alberdick Thijm gedoken. Deze keer kon Peter gewoon luisteren: het is een storytell. 

Het is vandaag de dag moeilijk om je voor te stellen, maar er was een tijd dat lang niet iedereen een telefoon gebruikte.  Dat sommigen het apparaat zelfs neerbuigend benaderden. Voor Louis Couperus was het de ‘kletsbel’. En Karel Alberdink Thijm, beter bekend als Lodewijk van Deyssel, was van mening dat een “met allure het herenleven leidende heer zich niet persoonlijk had in te laten met de hantering van iets zo banaals als het telefoonapparaat”. Het citaat is van de Van Deysselbiograaf Harry M.G. Prick, die in een beknopte inleiding tot Telephoonbriefjes met groot gevoel voor understatement Van Deyssels relatie tot de telefonie schetst.

Omdat een heer van stand de telefoon dus nooit zelf zou moeten bedienen, deed zijn knecht dat. Die belde in opdracht van Alberdink Thijm regelmatig met de buitenwereld: winkeliers, restaurants, vervoersbedrijven enzovoorts. Dat wat hij moest zeggen werd eerst door zijn baas zorgvuldig opgetekend. Het begon meestal met de tekst “De heer Alberdink Thijm laat weten / vragen / informeren …”. Een flink aantal van deze telephoonbriefjes is bewaard gebleven. Ze dateren uit de jaren dertig en veertig, en bieden een aardig inkijkje in Van Deyssels houding en optreden richting die buitenwereld.

Een voorbeeld, gericht aan Prinsen Hoedenmagazijn, Grote Houtstraat te Haarlem: “De heer Alberdink Thijm verzoekt op zicht hoeden met bredere randen dan die den hedenochtend gezonden werden. Of dit al of niet de mode is, interesseert de heer Alberdink Thijm niet. U kunt dus hoeden van een der vorigen jaren zenden als deze bredere randen hebben. Gaarne had de heer Alberdink Thijm ook den hedenochtend door u gehaalden ouden hoed terug, met het bericht of deze nog opgeknapt kan worden. De heer Alberdink Thijm verzoekt dit nu dadelijk te doen. Indien u niemand heeft, dan per taxi.”

Heel ongewoon was zo’n handelwijze niet. Het was een van de redenen waarom veel winkeliers in die jaren een loopjongen in dienst hadden. Wel typerend voor Alberdink Thijm is dat hij, naast zo’n vrij dagelijks verzoek als hierboven, zijn knecht ook liet bellen voor zaken die wij tegenwoordig als vrij onnozel beschouwen. Een voorbeeld, een boodschap gericht aan de heer of mevrouw Cuypers, Narcissenlaan te Heemstede: “De heer Alberdink Thijm wil volgens de afspraak u gaarne morgen of zondag om half vijf bezoeken. Hij denkt echter dat het voor hem nog niet warm genoeg is om buiten te zitten. Hij verzoekt u dus mede te delen ten eerste, welke van de genoemde twee dagen u het beste vindt en, ten tweede, of u ook goed vindt om binnenshuis te zitten. Verdient naar uw idee het buiten zitten de voorkeur, dan zal de heer Alberdink Thijm zijn bezoek tot juni uitstellen.” Want tegen kou of tocht kon Alberdink Thijm niet, dat was ook een van de extra redenen waarom hij niet zelf wilde bellen: bij het telefoonapparaat, in de gang, stond een naar tochtje.

De briefjes gaven mij een vol uur luisterplezier, wat mede is toe te schrijven aan de toon waarop Arend Jan Heerma van Voss ze voordraagt, alsof hij in de hoorn van de telefoon roept. Onvergetelijk is het briefje over de bestelling van kroketten voor Thijm en zijn gezelschap tijdens een concert in het Amsterdamse Concertgebouw. En ook, fijnproever als hij was, zijn verzoek aan een Haarlemse winkelier om negentien chocoladerepen zonder vulling om te ruilen tegen negentien chocoladerepen mét vulling. Een belletje dat de knecht deed op de ochtend van 10 mei 1940.

Lodewijk van Deyssel / Telephoonbriefjes / Voorgelezen door Arend Jan Heerma van Voss /Luisterboek, duur 1 uur en 9 minuten / Rubinstein, via Storytel