Nieuws
Peter van der Ploeg leest: Hoveniers van Oranje

Peter van der Ploeg blijft voor zijn wekelijkse boekenblog dicht bij huis. Vandaag behandelt de directeur van Huygens’s  Hofwijck de Hoveniers van Oranje.

Het moet in de loop van de zeventiende eeuw prettig zijn geweest om per koets, te paard of met een schuit zo’n beetje rond te toeren in de Haagse regio.  Het gebied bood niet alleen een afwisselend landschap van strand, duinen en de polders meer landinwaarts, maar je kon tevens een flink aantal buitenplaatsen bezoeken. Deze lusthoven waren aangelegd door welgestelde burgers die de zomerhitte en de stank van de stad wilden ontvluchten en dat deden in hun kleine groene oases, vaak aan het water, waar altijd wel een zacht windje te voelen was. Ook de prinsen van Oranje bezaten dergelijke verblijven in en buiten de stad, grote complexen die zij vooral inzetten om hun vorstelijke ambities kracht bij te zetten. Over de tuinen bij die verblijven van de Oranjes publiceerde Lenneke Berkhout onlangs ‘Hoveniers van Oranje. Functie, werk en positie 1621-1732’, de dissertatie waarop zij vorig jaar in Groningen promoveerde. Gebaseerd op uitputtend archiefonderzoek beschrijft zij daarin het leven en werk van die éne man die op iedere buitenplaats verantwoordelijk was voor de tuin: de hovenier.

Van de glorie van die prinselijke huizen en tuinen is vandaag de dag niet veel meer over, we moeten het vooral doen met prenten en beschrijvingen van plekken als Huis Honselaarsdijk bij Naaldwijk en Huis ter Nieuburg bij Rijswijk, de meest imposante projecten. Ook de verblijven met tuinen ver buiten Den Haag, bij Buren, Dieren en Breda, zijn niet bewaard gebleven. Alleen bij de paleizen in Den Haag, het Huis in het Noordeinde en Huis ten Bosch, is nog iets te proeven van de tuingrandeur die deze locaties eens gehad moeten hebben. Met dat uitgangspunt is het bewonderenswaardig dat Berkhout in haar studie die verloren wereld toch levendig weet op te roepen.

Berkhout benadert het begrip ‘hovenier’ van twee kanten: een persoonlijke en een vakmatige. Van zo’n vijftig hoveniers en ander tuinpersoneel heeft ze voor zover mogelijk de levensgeschiedenis uitgezocht, waardoor ze bijvoorbeeld in een aantal gevallen kon reconstrueren welke opleiding en werkervaring leidden tot een benoeming als hovenier van een prinselijke tuin. Daarnaast bracht ze boven water hoe de praktijk van het tuinieren op bovenstaande buitens verliep, waaruit soms de relatie tussen hovenier en prins af te leiden was, of waardoor iets meer duidelijkheid ontstond over de precieze invulling van het beroep hovenier, de verdeling tussen plannen, managen en hands-on uitvoeren van de tuinwerkzaamheden als meewerkend voorman. Voor deze aspecten raadpleegde ze tevens een indrukwekkende hoeveelheid literatuur over oude tuinen in Frankrijk, Engeland en de Duitse gebieden, die voor Nederlandse tuinliefhebbers in de zeventiende en achttiende eeuw toch wel de standaard vormden.

Het spreekt vanzelf dat niet van iedere hovenier een compleet beeld ontstaat. Dat is wel het geval bij een van de bekendste hoveniers uit onze Gouden Eeuw, Jan van der Groen. Hij groeide op in het centrum van Den Haag, waar zijn vader het vak van bezemmaker uitoefende én daarnaast bolbloemen kweekte en verkocht, onder andere aan de tuin van Huis Honselaarsdijk. Nadat Van der Groens schoonvader in 1659 was overleden, zette hij diens bloemisterij voort. In die hoedanigheid kreeg hij in 1662 het verzoek van de architect Pieter Post – die vaak voor de Oranjes werkte – om hem te assisteren bij de renovatie van de Buitenhoftuin. Deze tuin lag tegen de gevel van het Binnenhofcomplex en was zwaar verwaarloosd. Van der Groen stelde een plan op, Amalia van Solms keurde dat goed en hij ging aan het werk. Met het resultaat, bestaande uit tien vierkante parterres, fruitbomen en een oranjerie, was de prinses-douairière tevreden en ze benoemde hem een jaar later tot hovenier van haar nieuwe tuinen op de Singel. In de dienstwoning die hij daar betrok schreef hij ‘Den Nederlandtsen Hovenier’, het handboek dat hem beroemd zou maken. Hij voorzag daarin eigenaren van tuinen en buitenplaatsen en hun hoveniers of tuinmannen van kennis  en advies over het aanleggen en onderhouden van hun tuinen. Het boek zou tot in het begin van de achttiende eeuw tientallen herdrukken beleven en een Hollandse standaard vestigen. Voor Jan van der Groen opende het verschijnen van het boek in 1669 de weg naar het hovenierschap van Huis Honselaarsdijk, in die jaren toch wel het hoogst bereikbare in tuinenland. Lang heeft hij er overigens niet van kunnen genieten, want al in november 1671 overleed hij.

Van der Groens handboek is niet uitsluitend een praktische gids voor het tuinieren zelf. Hij bespreekt ook de laatste mode op het gebied van de Italiaanse tuindecoratie, de koninklijke tuinen in Frankrijk, buitens door geheel Nederland en ga zo maar door. Ook adviseert hij zijn lezers om de gedichten te bestuderen die door de drie Haagse ‘hovenier-dichters’ kort daarvoor waren gepubliceerd: ‘Ouderdom, buytenleven en hofgedachten op Sorghvliet’ van Jacob Cats (1655), Jacob Westerbaens ‘Ockenburgh’ (1654) en de trendsetter, ‘Vitaulium Hofwijck’ van Constantijn Huygens (1653). Tuinieren was voor dergelijke heren minder een kwestie van modderige handen dan van verheven gedachten, maar ook die vergeestelijking van de (kunstmatig aangelegde) natuur is een aspect van de Hollandse tuinkunst in de Gouden Eeuw.

Berkhouts boek is een schatkamer volgestouwd met informatie over anderhalve eeuw  Hollandse tuinkunst. De veelal korte hoofdstukken voorkomen oeverloze uitweidingen, ze houdt het kort. Via verfijnde registers vindt je snel dat waarnaar je op zoek bent. Kortom, een uiterst leesbaar én bruikbaar boek. Het werd in 2020 dan ook bekroond met de jaarlijkse Ithakaprijs, de belangrijkste prijs voor verbindend onderzoek naar kastelen, historische buitenplaatsen en landgoederen.

Lenneke Berkhout / Hoveniers van Oranje. Functie, werk en positie 1621-1732 / 470 blz / Uitgeverij Verloren, 2020