Activiteiten
Tentoonstelling: De Haagse Mohammed Ali

Vanaf nu tot 24 januari is de tentoonstelling ‘Charles van Beetem Mohammed Ali – een marineman en de vooroorlogse islam in den Haag’ te zien in de verlichte panelen in het Atrium van het Haagse stadhuis aan het Spui. Dankzij Van Beetem had Den Haag al voor de Tweede Wereldoorlog een moskee en een islamitische begraafplaats.

 Charles van Beetem Mohammed Ali maakte kennis met de islam toen hij als marineman rond 1900 in Nederlands-Indië verbleef. Na zijn terugkeer in Nederland en pensionering uit militaire dienst bleef hij zich verdiepen in deze religie. Hij verhuisde in 1924 naar Den Haag en kwam daar in aanraking met de vele Indische moslims die in Den Haag woonden. Van Beetem ging zich inzetten voor de verbetering van hun sociale situatie. Zijn werk en belangstelling voor de religie leidde ertoe dat hij zich in 1931 bekeerde tot de islam en de naam Mohammed Ali aannam. Maar de positieve houding van Van Beetem ten opzichte van de islam had niets te maken met antikoloniale opvattingen. Integendeel hij sprak zich keer op keer uit tegen een zelfstandig Indonesië.

Dankzij de niet aflatende inzet van Charles van Beetem gaf de gemeente Den Haag in 1932 toestemming een deel van de Algemene Begraafplaats aan de Kerkhoflaan in te richten als islamitische begraafplaats. Al gauw, op 10 maart 1933,was daar de eerste begrafenis  van de huisbediende bediende Soemôh Slamat. De islamitische begraafplaats aan de Kerkhoflaan bestaat nog steeds. Tussen 1933 en 1974 zijn daar circa 75 mensen begraven.

Het verlangen van de moslims naar een eigen moskee in Den Haag was sterk. Ook een Islamitische gebedsruimte wist Van Beetem te realiseren. Op 2 maart 1935 kon in Den Haag voor dat doel het pand aan de Hugo de Grootstraat 31 in gebruik worden genomen. In het gebouw kwamen een gebedsruimte, een ruimte waar islamitisch godsdienstonderwijs werd gegeven en een bemiddelingskantoor voor Indische bedienden.

In het Haagse Zeeheldenkwartier was de eerste moskee in Nederland te vinden. Na de dood van Van Beetemin 1938,  gingen de plannen tot de oprichting van een grote officiële moskee in een eigen gebouw in Den Haag verder. Uiteindelijk zou ook die gebedsruimte er komen. Op 9 december 1955 vond de opening plaats van de Mobarak-moskee aan de Oostduinlaan in Den Haag.

De geschiedenis van de islam in Den Haag gaat terug tot de negentiende eeuw. De stad kende al vroeg een moslimgemeenschap, bestaande uit Indonesische jongeren die hier kwamen studeren, zeelieden die werkten in de havens van Amsterdam of Rotterdam, baboes, kokkies en huisbedienden die met hun werkgevers vanuit Nederlands-Indië mee naar Den Haag kwamen. Al aan het begin van de twintigste eeuw werden er discussies gevoerd over de mogelijkheid een moskee en een islamitische begraafplaats op te richten in Nederland. Het eerste initiatief hiertoe is in Den Haag genomen door Charles van Beetem Mohammed Ali (1879-1938), een Nederlandse bekeerling tot de islam.

Charles van Beetem werd geboren in Salzbergen. Hij groeide op in een groot rooms-katholiek gezin met twee meisjes en zeven jongens. Zijn vader was spoorwegambtenaar en het gezin verhuisde vaak. Op zijn veertiende ging Charles van huis. Hij vertrok naar Leiden en meldde zich bij de Kweekschool voor de Zeevaart, een opleidingsinstituut voor de laagste rangen bij de Koninklijke Marine.

Tussen 1898 en 1902 maakt hij als marinier drie grote zeereizen; één naar de ‘West’ en twee naar de ‘Oost’, naar Nederlands Indië. In 1904 nam hij ontslag bij de marine, ging in de achterrhoek wonen en inde daar belastingen. In de Eerste Wereldoorlog werd Van Beetem gemobiliseerd. In maart 1919 is hij ontslagen uit militaire dienst. Van Beetem ging als 39-jarige (!) van een pensioen van defensie genieten. In juni 1924 verhuisde Charles van Beetem naar Den Haag. Hij ging wonen aan de van Swietenstraat 8.

In 1923 ontmoet Van Beetem de Javaanse dichter-politicus prins Raden Mas Noto Soeroto. De mannen richten samen de Stichting Oedaya op mt als doel: ‘moreele en financiëele steunverlening aan Indonesiërs geboren in Nederlandsch-Oost-Indië, die zich in Nederland bevinden en tijdelijk in moeilijkheden zijn geraakt’. Maar de samenwerking met Noto Soeroto was geen lang leven beschoren. Al in het najaar van 1926 komt het tot een breuk. Van Beetem betichtte hij de dichter-politicus van financieel wanbeheer en oplichting. Subsidies van derden zou Noto Soeroto grotendeels ten eigen bate hebben aangewend en verbrast. De geschillen bleken echter dieper te liggen. Van Beetem vond dat Indië Nederlands moest blijven terwijl Soeroto voorstander was van een onafhankelijk Indonesië.

Voor de Tweede Wereldoorlog vonden bekeringen tot de islam in Nederland nauwelijks plaats. Charles van Beetem was een van de weinigen die tot de islam overging. De kiem voor zijn belangstelling voor de islam was gelegd toen hij als marineman in Nederlands-Indië verbleef. Een groot deel van zijn verdere leven zou hij daarna besteden aan het bestuderen van de koran en de islam. Uiteindelijk besloot hij in 1931 om zich te bekeren. Het was zo uitzonderlijk dat een Nederlander dit deed dat er in de Haagsche Courant van 8 juni 1931 een uitgebreid verslag over geschreven staat.

Korte tijd later liet Van Beetem zich officieel als moslim inschrijven in het Bevolkingsregister van Den Haag. Bij zijn naam staat in de marge aangetekend: ‘geeft als kerkgenootschap op: Moslim of Muzelman. Noemt zich Mohamed Ali, 1-8-1931’.

 

 

 

 

l