Eeuwenlang werden dieren vooral gezien als gebruiksvoorwerp of als vijand. Of als spiegel. De vos stond voor sluwheid, het schaap voor volgzaamheid, de os en de ezel voor domheid, de wolf voor wreedheid. Dat waren geen biologische waarnemingen maar morele categorieën. Dieren als dragers van menselijke eigenschappen, maar zeker niet als levende wezens met eigen gevoelens.
In de middeleeuwse Van den vos Reynaerde is de vos een manipulator. Hij beheerst het machtsspel beter dan de andere dieren, die op hun beurt menselijke zwaktes vertegenwoordigen. De natuur was in die tijd een moreel boek: alles verwees naar iets anders, alles droeg betekenis. Dat wereldbeeld leeft nog altijd in onze taal. Een “oude vos” is doortrapt. Een “mak schaap” volgt gedwee. Een “domme os” begrijpt het niet.
De eerste serieuze wetenschappers zoals René Descartes zagen in de 17e eeuw dieren vooral als ‘automaten’ die niet bewust konden lijden. De luide kreten bij vivisectie beschouwden zij als mechanische reacties op prikkels en niet als kreten van pijn. Heel langzaam veranderde dat perspectief. In de achttiende eeuw begonnen natuuronderzoekers dieren systematisch te beschrijven: hun gebit, hun gedrag, hun leefgebied. Voor het eerst werden dieren zonder eigenbelang en zonder moreel oordeel geobserveerd. Maar de echte aardverschuiving kwam met Charles Darwin. In 1859 maakte hij duidelijk dat dieren gewoon onze verwanten zijn. En hun gedrag is geen deugd of zonde, maar aanpassing. Wat wij “sluwheid” noemen, is een overlevingsstrategie. De mens zelf werd onderdeel van die evolutionaire geschiedenis. In de twintigste eeuw toonde gedragsonderzoek aan dat dieren ook beschikken over complexe sociale structuren, communicatie en leervermogen. Inmiddels erkennen we dat veel diersoorten emoties kennen en ook spel, zorg, misschien zelfs rouw. Dieren zijn geen morele typetjes meer, maar zelfstandige levende wezens met een eigen perspectief op de wereld.
En toch zijn de oude projecties niet helemaal verdwenen. In discussies over wolven duiken woorden op als “bloeddorstig”, alsof een roofdier zich moreel misdraagt. Blijkbaar blijven we geneigd onze angsten en belangen op dieren te projecteren.
Ik vind het verhelderend om ook Vlietland door die bril te bekijken. Daar leeft de boommarter, een kwetsbare soort die afhankelijk is van oude bomen en rustige verbindingen. Daar jagen de bosuil en de havik, niet uit wreedheid maar uit noodzaak. Daar trekken vleermuizen hun onzichtbare routes langs bosranden en waterpartijen, gestuurd door echo en op zoek naar voedsel. En ja, daar sluipt ook de vos door een mozaïek van riet, gras en struweel. Wie daar ’s avonds staat, beseft hoe weinig deze dieren met ons te maken hebben. Ze wonen er gewoon.
Laten we wat vaker door die bril naar het bouwplan voor 222 recreatiewoningen in Vlietland kijken. Het is het leefgebied van talloze dieren. De mens is er overdag te gast. Projectontwikkelaar en gemeente kijken er anders naar. Zij zien vooral ruimte voor 222 recreatiewoningen. Natuurlijk is er een natuurvergunning nodig. Met rapporten, mitigerende maatregelen en juridische zorgvuldigheid is veel mogelijk. En dan kan er gebouwd worden.
Ik zou dat zeker ook betreuren voor de omwonenden en dagjesmensen die er graag wandelen en recreëren. Maar ik betreur het nog veel meer voor de talloze dieren die er nu leven en hun habitat ernstig aangetast zullen zien. Of hun biezen moeten pakken. Terwijl er in de omgeving al zo weinig leefgebied voor hen is overgebleven. Dat is mijn ware motivatie. Ik strijd sinds
2022 (samen met anderen) niet primair voor een wandelgebied maar voor het leefgebied van een uitgebreide fauna. Misschien is dat wel de echte culturele volwassenwording: dat we eindelijk erkennen dat zij daar wonen, en wij te gast zijn.
(Sander Wennekers)




