Ontwikkelaar DLR heeft bomen laten kappen met een stamomvang van 90 centimeter terwijl in een ecologisch onderzoek voor de werkzaamheden stond dat het alleen zou gaan om onderbeplanting/bossages. Ook is er gekapt in gebied dat eerder als ‘geschikt’ en ‘zeer geschikt’ leefgebied voor de (beschermde) boommarter werd aangemerkt. In een ecologisch werkprotocol werd alleen gewag gemaakt van de boommarter en broedvogels; vleermuizen en eekhoorns bleven onvermeld.
Dit blijkt uit de vrijgegeven uitspraak van de Haagse rechtbank in een door Vrienden van Vlietland aangespannen zaak om de kapwerkzaamheden via een voorlopige voorziening te doen staken. De rechter, mr. A.J. van der Ven, gaf de Vrienden op 25 februari gelijk. De rechter constateert in zijn uitspraak ‘tegenstrijdigheden en omissies’ in de ecologische onderbouwing voor de kapwerkzaamheden. Hij spreekt ook over ‘een (dreigende) overtreding van de Omgevingswet’. De magistraat spreekt zijn twijfel uit of het besluit de kap toe te staan ‘in stand kan blijven’.
Vlietland is van de provincie. De omgevingsdienst OZHZ houdt er toezicht en dient handhavend op te treden indien wet- en regelgeving wordt overtreden. De Vrienden hebben de dienst regelmatig gevraagd ook bij mogelijke overtredingen van natuurwetgeving in actie te komen.
Gedeputeerde Staten hebben Provinciale Staten inmiddels geïnformeerd: ‘Op 24 december 2025 is het derde handhavingsverzoek van de VvV (Vrienden van Vlietland) door OZHZ afgewezen, omdat volgens hen geen sprake is van een (dreigende) overtreding. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt bij de bezwarencommissie. In afwachting van de behandeling van het bezwaar is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend door VvV’.
‘De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat enerzijds de ecologische onderbouwing van de onderhoudswerkzaamheden tegenstrijdigheden en omissies kent, dat maakt dat er gerede twijfels zijn of het besluit in bezwaar stand zal houden. Anderzijds meent de voorzieningenrechter dat het belang van Dutch Lake Residence C.V niet dusdanig zwaarwegend is, dat niet eerst de uitkomst van de bezwarenprocedure afgewacht kan worden. Derhalve treft de rechter een tijdelijke voorziening die inhoudt dat de werkzaamheden gestaakt dienen te worden vanaf 12 februari 2026 en gestaakt moeten blijven, in ieder geval tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar’.
‘Het bezwaar zal op 12 maart door de adviescommissie voor de bezwaarschriften aan bod komen op een hoorzitting. Vervolgens zal de adviescommissie daarop een advies uitbrengen, waarna het besluit heroverwogen zal worden en een nieuw besluit op bezwaar zal worden genomen. Bij deze heroverweging wordt ook de uitspraak van de voorzieningenrechter betrokken’.






