De gemeente moet zelf gaan bepalen wie jeugdhulp krijgt en wie voorzieningen op basis van de WMO (wet maatschappelijke ondersteuning). Daartoe moet afscheid genomen worden van het ‘dienstverlenende model’ waarvoor ooit gekozen is.
Dat hebben ambtenaren de nieuwe gemeenteraadsleden geadviseerd in het zogenoemde ‘overdrachtsdossier’. Nu wordt de toegang tot jeugdhulp en WMO-voorzieningen bepaald door de instantie waar de inwoners aanklopt: de gemeente, maar ook huisarts, praktijkondersteuner, school, het Sociaal Servicepunt of bibliotheek.
Het systeem is maatschappelijk én financieel niet langer houdbaar, aldus de ambtenaren. ‘De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor het organiseren van een laagdrempelige, samenhangende toegang tot hulp. Dit vraagt een sterk lokaal team dat zichtbaar is in de wijk, breed kijkt over alle leefgebieden, zelf lichte hulp biedt zonder onnodige indicaties en coördinatie biedt zolang dat nodig is. Momenteel bestaat een dergelijk lokaal team niet. De komende periode draait daarom om de keuze hoe we een krachtig lokaal team als gemeentelijke toegang vormgegeven’.
Voor de vorming van een ‘gemeentelijke toegangsteam’ moet geïnvesteerd worden, ook in menskracht. ‘Er zijn grofweg drie gangbare varianten te onderscheiden: Het lokale team is onderdeel van de gemeentelijke organisatie; Het lokale team wordt vormgegeven in een verbonden partij, de gemeente als eigenaar en opdrachtgever; De taken van het lokale team beleggen bij onze partners in het voorliggend veld, de gemeente blijft dienstverlenend en op afstand’.
‘Het advies is om twee sporen parallel uit te werken. Komende periode ontwikkelen we een langetermijnstrategie voor de positionering van het lokale team, waarbij het onderbrengen binnen de gemeentelijke organisatie het meest voor de hand ligt vanwege de directe sturingsmogelijkheden, nabijheid en zicht op kosten. Het advies is om hierbij te werken met een eigen herkenbare naam en uitstraling met locaties buiten het gemeentehuis in de drie kernen. Vooruitlopend op de definitieve keuze starten we voor een periode van twee jaar met een proeftuin ‘Sterk Lokaal Team’. Het hiervoor bepleite ontwikkelbudget is een eenmalige bijdrage van omstreeks € 300.000’.
‘De kern van de financiële strategie is daarmee dat we investeren in een sterk lokaal team om meer grip te krijgen op de kosten in het sociaal domein. De proeftuin biedt de mogelijkheid deze veronderstelling met praktijkervaring en data te onderbouwen, voordat structurele financiële keuzes worden gemaakt’.




