Nieuws
B&W Den Haag: geen provinciale tik gehad

Er is geen sprake van dat Gedeputeerde Staten (GS) van Zuid-Holland B&W van Den Haag terecht hebben gewezen bij hun plan om delen van afvalbedrijven te verplaatsen naar bedrijfsterrein Westvlietweg in de Vlietzoom tussen de Vliet en A4. Dat laat een woordvoerder van B&W Den Haag weten in een reactie op berichtgeving door Vlietnieuws https://vlietnieuws.nl/2026/04/10/provincie-wijst-den-haag-terecht-inzake-vlietzoom/

De zegsman verwijst naar antwoorden van GS op vragen van Arjan Veerman, CDA-lid van Provinciale Staten, over de Haagse plannen. In die antwoorden stellen GS dat de verplaatsing van watergebonden afvaloverslag (grootschalige afvaloverslag met haven, red.) van de Binckhorst naar de Westvlietweg niet te willen toestaan.

‘De verplaatsing van niet-watergebonden delen van het afvalcluster naar het bedrijventerrein Westvlietweg past binnen provinciaal beleid en de bestuurlijke afspraken met gemeente Den Haag. Wij zullen daaraan vanwege de ligging in de Vlietzoom wel randvoorwaarden stellen ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit en de ontsluiting, met als doel om de Vlietzone groen en beleefbaar in te richten en het cultuurhistorisch karakter van het landschap zo veel mogelijk te behouden’, aldus GS.

De woordvoerder van B&W Den Haag: ‘Het is dus geen tik op de vingers, maar eerder een opening tot gesprek. We zijn het op hoofdlijnen gewoon eens en moeten natuurlijk met elkaar verder afstemmen hoe we het precies invullen en afmaken’.

Op 20 maart maakten B&W van Den Haag bekend op Westvlietweg een zoutdepot, grofvuilbunker, containerdepot en groot afvalbrengstation te willen huisvesten. Het bedrijfsterrein moet mede daartoe met 10 hectare vergroot worden. Langs de A4 zou er vanaf de Laan van Hoornwijck een nieuwe weg naar het bedrijfsterrein moeten komen.

In de antwoorden aan Arjan Veerman schrijven GS verder over de Haagse voornemens: ‘Het plan vereist een aanpassing van de Bestuursovereenkomst. GS hebben aangegeven hierover in gesprek te willen gaan en hebben daarbij de randvoorwaarden voor een mogelijke aanpassing benoemd.

B&W van Den Haag hebben ons per brief gevraagd de ambtelijk gepresenteerde voorkeursvariant voor de herplaatsing van het afvalcluster te onderschrijven en medewerking te verlenen aan de gezamenlijke inspanning. De gemeente stelt daarbij voor om ten aanzien van het bedrijventerrein Westvlietweg de volgordelijkheid van afspraken te wijzigen in een gelijktijdige uitwerking van intensiveren, revitaliseren en uitbreiden. De gemeente stelt voor om deze medewerking door middel van een aanpassing van de Bestuursovereenkomst Binckhorst vast te leggen en zo de uitplaatsing van de afvalcluster op de Binckhorst mogelijk te maken.

Wij hebben geantwoord dat wij bereid zijn om in gesprek te gaan over de gevraagde aanpassing, mits aan een aantal randvoorwaarden kan worden voldaan en deze verwerkt worden in een hernieuwde bestuursovereenkomst Binckhorst. Deze randvoorwaarden betreffen in ieder geval het goed ruimtelijk inpassen van een ontsluitingsweg van het bedrijventerrein Westvlietweg, waardoor de Westvlietweg autoluw gemaakt kan worden.

Wij willen nadrukkelijk meegeven dat wij de voorkeur geven aan een ontsluitingsweg parallel aan de A12. Voorts dient het ‘beter benutten en revitaliseren’ gelijktijdig met de uitbreiding uitgevoerd te worden, waarbij er ruimte blijft om een circulair cluster te ontwikkelen. Ook vinden wij het belangrijk dat de ontwikkeling op het bedrijventerrein bijdraagt aan de opgave om de Vlietzone groen en beleefbaar in te richten waarbij het cultuurhistorisch karakter van het landschap voldoende geborgd wordt.

We vinden het van belang dat er een sluitend financieel plan moet liggen dat de realiseerbaarheid van deze ontwikkeling zeker stelt, zeker gezien de mededeling van het college van B&W in het richtinggevend besluit ‘Voorkeursvariant voor het uitplaatsen en transformeren van het afvalcluster Binckhorst’ dat de financiële middelen nog grotendeels gevonden moeten worden. Ten slotte willen de fasering van deze ontwikkeling nader vastleggen als randvoorwaarde in de aangepaste bestuursovereenkomst’.