D66 vindt VVD-wethouder Astrid van Eekelen te afwachtend daar waar het gaat om ‘reclame’ te maken voor Leidschendam-Voorburg. Dit nu de wethouder geen aanleiding ziet de gemeente te positioneren bij de marathon die Den Haag dit jaar organiseert. Volgens Van Eekelen is het evenement ‘minder relevant’ om de gemeente uit te dragen aangezien de route niet door Leidschendam-Voorburg loopt.
‘In de beantwoording van vragen over het initiatief voor een marathon in Den Haag geeft het college aan bekend te zijn met dit initiatief en de potentiële regionale betekenis ervan te erkennen. Tegelijkertijd kiest het college ervoor om geen actieve rol te vervullen, met als belangrijkste argument dat er inmiddels een concept-route ligt die niet door Leidschendam-Voorburg loopt en dat verdere verkenning daarom ‘geen logische vervolgstap’zou zijn. D66 vindt deze redenering te afwachtend. Juist bij grootschalige regionale sportevenementen liggen er kansen om de lokale economie te stimuleren, sportparticipatie te versterken en Leidschendam-Voorburg zichtbaar te positioneren binnen de regio. Het bestaan van een concept-route mag daarbij geen reden zijn om bestuurlijke inzet en verkenning bij voorbaat uit te sluiten’, aldus D66-fractieleider Mahjoub Matlouthi en Nicolas Bavi (raadslid zonder stemrecht) in nieuwe vragen aan Van Eekelen
‘Het college stelt dat verdere verkenning geen logische vervolgstap is omdat er reeds een concept-route ligt die niet door Leidschendam-Voorburg loopt. Acht de wethouder deze afwachtende houding passend bij haar verantwoordelijkheid om actief op te komen voor de economische en sportieve belangen van onze gemeente binnen regionale initiatieven? Kan het college toelichten waarom een concept-route, die per definitie nog niet definitief is, door het college wordt behandeld als een gegeven dat verdere bestuurlijke inzet overbodig maakt?
Op welk moment en op welk niveau heeft het college geprobeerd invloed uit te oefenen op de totstandkoming van deze route? Is het college bereid om, ondanks het bestaan van een concept-route, alsnog bestuurlijk in gesprek te gaan met de gemeente Den Haag om te verkennen of en onder welke voorwaarden Leidschendam-Voorburg kan deelnemen aan (de verdere uitwerking van) dit marathoninitiatief? Zo nee, welke inhoudelijke bezwaren ziet het college tegen een dergelijk gesprek?
Het college erkent de potentiële regionale betekenis van een marathon, maar verbindt hier geen actieve inzet aan. Hoe verklaart het college dit verschil tussen ambitie en handelen, en hoe wil het college voorkomen dat Leidschendam-Voorburg bij toekomstige regionale sportevenementen opnieuw pas in beeld komt nadat de belangrijkste keuzes al zijn gemaakt? Het college stelt dat een marathon alleen meerwaarde heeft indien het start- en eindpunt in onze gemeente ligt. Waarop baseert het college deze beperkte opvatting, en erkent het college dat ook doorkomst, nevenactiviteiten en samenwerking met lokale sportverenigingen aantoonbare economische en sportieve effecten kunnen hebben?
Het college geeft aan bereid te zijn kansen te ‘overwegen’ in het vernieuwde sportbeleid. Waarom vertaalt deze bereidheid zich in dit concrete en actuele initiatief niet naar bestuurlijke inzet en zichtbare actie? Welke lessen trekt het college uit dit dossier, en welke concrete stappen gaat het college zetten om Leidschendam-Voorburg voortaan proactief te positioneren bij regionale sport- en evenementeninitiatieven met economische en maatschappelijke meerwaarde?’




