Mening
De groene woongemeente (1)

Groen als decor of structuur

Op websites, in beleidsnota’s en in verkiezingsprogramma’s presenteert Leidschendam-Voorburg zich steevast als een groene woongemeente. Dat klinkt heel positief. Groen suggereert immers rust, ruimte, kwaliteit van leven. Maar wat bedoelen we er echt mee? Is een groene woongemeente een plaats met enkele fraaie parken, en met grote bomen langs oude lanen? Of gaat het om iets fundamentelers — om de manier waarop we wonen, ons verplaatsen en onze leefomgeving inrichten? Kortom, is groen decor of is het structuur?

Eerst een paar feiten. Bomen zorgen voor schaduw en verkoeling in steeds warmere zomers. Onverharde bodem vangt regenwater op bij hevige buien, waardoor straten minder snel blank staan. Planten en struiken zuiveren lucht en dempen geluid. En minstens zo belangrijk: het groen is er niet voor de mens alleen. Een werkelijk groene woongemeente is er ook voor vogels, insecten, kleine zoogdieren. Voor biodiversiteit. Voor al het stille, deels onzichtbare leven dat samen een ecosysteem vormt.

De foto bij deze column probeert dat in een beeld te vangen. Hier zie je hoe bepalend onze keuzes zijn. Neem deze drie rijen met geknotte platanen langs een ruim fietspad ergens in Voorburg. Ze staan er gezond bij, met voldoende afstand tot woningen en verkeer. Toch worden ze structureel geknot. Zo blijven het formeel bomen, maar krijgen ze nooit de kans hun volle kroon te ontwikkelen. Wat zou er gebeuren als we ze wél lieten uitgroeien? Meer schaduw op warme dagen, een beschutte wandelroute, meer nestgelegenheid voor vogels en insecten. Beheer is nodig. Maar beheer is nog geen visie. De vraag is welk beeld van groen wij voor ogen hebben — en hoeveel ruimte we het daadwerkelijk geven.

Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. De komende jaren staat onze gemeente voor een forse woningbouwopgave. Verdichting is soms nodig, maar verdichting betekent per definitie dat ruimte schaarser wordt. Elke vierkante meter kan maar één keer worden gebruikt. Juist daarom is ruimtegebruik nooit neutraal. En dan wordt de vraag urgent wat we onder “groen” verstaan. Is het restgroen tussen gebouwen? Of een leidende factor in onze ruimtelijke keuzes?

Papier is geduldig. Ambities zijn snel opgeschreven. Er zijn visies, agenda’s en beleidskaders waarin het belang van groen ruim wordt erkend. Maar de echte toets ligt niet in de formulering, maar in de uitvoering. Wordt het groen vanaf het begin volwaardig (en meetbaar) meegenomen in onze bouwplannen? Hoe serieus worden onze bestaande bomen beschermd? Ook de duizenden bomen in particuliere tuinen, die mede bepalen of we een

groene woongemeente zijn. Krijgt water de ruimte die het nodig heeft? En welke rol kennen we daarin toe aan openbaar én particulier groen?

Een groene woongemeente ontstaat niet vanzelf. Een groen actieplan, hoe waardevol ook, is niet genoeg. Het gaat om meer fundamentele keuzes. Keuzes in bestemmingsplannen, in vergunningverlening, in inrichting van straten en pleinen, in hoe we groenonderhoud uitvoeren, en in de regels die we hanteren voor de verharding van particulier terrein. Keuzes die meestal geld kosten of schaarse vierkante meters opeisen, of raken aan de particuliere levenssfeer. En dus politieke moed vragen.

Deze rubriek wil de komende maanden die keuzes verkennen. Vanuit de vraag hoe we willen wonen in een tijd van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. Wanneer verdient onze gemeente het predicaat “groen”? En wanneer gebruiken we het woord misschien iets te gemakkelijk?

Een groene woongemeente is geen etiket. Het is een voortdurende opdracht — voor bestuurders, ontwikkelaars én bewoners. De vraag is niet of het mooi klinkt. De vraag is of we bereid zijn ernaar te handelen. Na de verkiezingen ligt die vraag opnieuw op tafel.

(Sander Wennekers)

Socials

vlietnieuwsfacebookOp Facebook

vlietnieuwtwitter Op Twitter

Social Media Auto Publish Powered By : XYZScripts.com