Schakenbosch b.v. kan vooralsnog verder met het bouwplan voor landgoed Schakenbosch in Leidschendam. De Raad van State heeft het verzoek van omwonenden om door middel van een ‘voorlopige voorziening’ de voortgang met het bouwplan te blokkeren, afgewezen. Er loopt nog wel een zogenoemde bodemprocedure. Die zal echter niet eerder dan 2022 bij de Raad van State aan de orde komen.
Volgens de bezwaarmakers komt het bouwplan niet tegemoet aan een in 2020 door de gemeenteraad aangenomen amendement. Bovendien is er geen alomvattende milieu effect rapportage gemaakt over de gevolgen van het bouwplan voor het milieu. Het bouwplan zou bovendien leiden tot het teloor gaan van veel groen. Daarnaast veroorzaken de nieuwe bewoners meer autoverkeer, net als bezoeker van de Mall. Dat leidt tot meer overlast, onder andere door geluidhinder.
Staatsraad J. Hoekstra oordeelde dat de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg op 9 maart 2021 met een gewijzigd bestemmingsplan, waardoor de bouw op Schakenbosch mogelijk wordt, heeft ingestemd. Daarbij is er impliciet meer ingestemd dat het eerder aangenomen amendement op adequate wijze is uitgevoerd.
Volgens Hoekstra waren B&W niet verplicht aan alomvattende milieu effect rapportage te maken. Wat het groen betreft stelt Hoekstra dat het oude bestemmingsplan het wegvallen van meer groen mogelijk maakte dan het nieuwe. Het groen wordt dus beter beschermd dan in het verleden, ook met het bouwplan.
Inzake het verkeer stelt Hoekstra dat de procedure die nu gevolgd is er niet toe kan dienen te toetsen of verkeersmodellen representatief en/of inzichtelijk zijn. Gesteld is dat Mall-verkeer is meegewogen in alle onderzoeken. Wat geluidhinder betreft; ook nu al ondervinden woningen in de omgeving te veel geluidbelasting. Het toekennen van de ‘voorlopige voorziening’ brengt daar geen verandering in. Ook al zou er rekening gehouden worden met extra geluidbelasting, dan is die maar 0,5 decibel. ‘Zo’n toename is niet significant’, aldus Hoekstra.
De Raad van State ‘kent daarom een zwaarder gewicht toe aan het belang van de initiatiefnemer om op korte termijn te kunnen beginnen met het uitvoeren van het plan. Daarom zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen’.





