,,Waar begin je met het filmen van de relatie tussen Constantijn Huygens en Rembrandt? Wij deden dit in de Leidse binnenstad, waar je na iedere paar honderd stappen weer iets tegenkomt dat herinnert aan Leidens’ grootste schilder. Als je begint op de plek van Rembrandts geboortehuis in de Weddesteeg, waar hij als zoon van een molenaar in 1606 ter wereld kwam, loop je in enkele minuten naar de voormalige Latijnse school (leerling), via de Pieterskerk (gedoopt) en het Academiegebouw (student) naar het voormalige atelier van de schilder Isaac van Swanenburg aan de Langebrug waar de jonge Rembrandt leerde schilderen. Vandaar is het vervolgens weer een paar minuten lopen naar het Galgewater, waar Rembrandts zijn eerste atelier als zelfstandig meester in gebruik nam.

Zo’n eerste opnamedag voor een nieuwe film is altijd weer even wennen. Niet aan elkaar, want met Jacques van Herten en Desi Goudman heb ik inmiddels tientallen korte en langere films opgenomen. Maar het verhaal en script zijn nieuw. Ook nemen we ‘Constantijn ontdekt Rembrandt’ niet in chronologische volgorde op, waardoor we moeten oppassen om bij improviseren ter plekke – niets leuker dan dat! – inconsequenties in de verhaallijn te vermijden. Dat is een van de taken van Desi, die Jacques en mij dan ook regelmatig op de vingers tikt.

Rembrandt was een meester in het schilderen van historische, bijbelse en mythologische voorstellingen. Wanneer je dan bij het Gerecht voor de deur van de voormalige Latijnse school staat, waar hij vanaf zijn zevende jaar les kreeg, realiseer je je weer ten volle dat het onderwijs dat hij daar kreeg de basis heeft gelegd voor zijn grote kennis van de onderwerpen. De Latijnse school bereidde je immers voor op je inschrijving als student aan de Academie (de huidige universiteit), dus het onderwijs was voor een belangrijk deel gericht op geschiedenis en de antieken. Het grondig onder de knie krijgen van het Latijn was het belangrijkst, want zonder dat kon je immers niet gaan studeren.

Ook het gebied rond het Galgewater heeft een speciale bekoring. Niet alleen vanwege de mooie historische schepen die er nog steeds liggen afgemeerd, maar ook omdat Rembrandt aan dat water zijn vormende jaren als schilder doorbracht. In het atelier dat hij tussen 1625 en 1632 deelde met zijn vriend Jan Lievens bezocht Constantijn hem voor het eerst in de winter van 1628/’29. Dat was precies op het goede moment, want Rembrandt werkte toen aan een schilderij dat een omwenteling teweeg bracht in zijn manier van schilderen. Een schilderij ook waardoor Constantijn van zijn voeten werd geblazen.

Constantijn beschreef dat bezoek enkele maanden later in zijn eerste autobiografie en noemde de twee kunstenaars daarin ‘een jong en edel schildersduo’. Een soort Geuzennaam, die ze nog lang met zich zouden meedragen. Uit die beschrijving van Constantijn, waarvan het originele manuscript nog bestaat, weten we ook precies om welk schilderij het gaat, en wat hij ervan vond. Maar daarover meer bij ons bezoek aan de Koninklijke Bibliotheek, waar dat handschrift wordt bewaard.”

(Peter van der Ploeg)