Is Rembrandt onze beroemdste kunstenaar? En, als je deze vraag stelt, hoe kom je tot een betrouwbaar antwoord? Een van de methoden die je zou kunnen gebruiken om de beroemdheid van oude meesters te meten is te kijken hoeveel er over hen is geschreven. Zo bekeken, wint Rembrandt met glans. Over hem zijn letterlijk bibliotheken volgeschreven. Hij laat collega’s  als Johannes Vermeer, Frans Hals of Jan Steen ver achter zich. Zelfs Van Gogh komt qua literatuur niet in Rembrandts nabijheid.

Om dat voor onze documentaire ‘Constantijn ontdekt Rembrandt’ een beetje aanschouwelijk te maken, nam ik voor de opname maar eens wat van mijn Rembrandtboeken van huis mee. Zelfs bij streng selecteren op díe boeken die bepalend zijn geweest voor de ontwikkeling van ons Rembrandtbeeld, kwam ik al gauw tot zo’n vijftig stuks. Dat was even slepen, maar op tafel gelegd in de Pronkzaal op Hofwijck zag dat er indrukwekkend uit. En kon ik er af en toe een omhoog houden ter illustratie van mijn inleiding over Rembrandt als kunstenaar.

Die studies over Rembrandt laten duidelijk zien wat ons in de loop van de tijd aan de kunstenaar interesseerde. In de literatuur uit de 19de eeuw wordt hij vooral neergezet als een van de helden van de Gouden Eeuw. Die eeuw werd toen beschouwd als onze nationale bloeiperiode, en Rembrandt was daarin onze grootste schilder. Die 19de eeuw was ook de tijd dat iedere zichzelf respecterende stad straten naar de schilder ging vernoemen, en er op pleinen en in parken meer dan levensgrote beelden van hem verschenen. Rembrandt op een voetstuk.

In de eerste helft van de 20ste eeuw kwam de wetenschappelijke bestudering van Rembrandts oeuvre op gang. Kunsthistorici probeerden de ontwikkeling en samenhang in het omvangrijke corpus aan schilderijen, tekeningen en etsen te beschrijven. Nog weer later leidde dat tot stilistisch en materiaal-technisch onderzoek om te bepalen welke werken van Rembrandt zelf waren – eigenhandig dus – en welke waren ontstaan op zijn atelier, gemaakt door leerlingen en assistenten. Het geaccepteerde oeuvre werd daardoor kleiner. Werden omstreeks 1935 nog ruim 650 schilderijen aan Rembrandt zelf toegeschreven, nu zitten we ruim onder de 400.

Nog weer later, in de jaren ’70 en ’80, kwam er aandacht voor Rembrandt in zijn sociale context, en ook steeds meer voor de persoon Rembrandt. Naast de kunstenaar dus nu ook een focus op de mens daarachter. Dat laatste werd natuurlijk mede in de hand gewerkt door het feit dat Rembrandt ons zo’n 80 zelfportretten heeft nagelaten.

En wat is nu het aardige van die berg aan boeken en artikelen over Rembrandt? Dat is dat in de meeste daarvan Constantijn Huygens voorkomt, vaak zelfs in ruime mate. Constantijn ontleent een flink deel van zijn imago als kunstkenner aan zijn ‘ontdekking’ van Rembrandt, het voorspellen dat hij zou uitgroeien tot onze grootste kunstenaar. Op onze volgende draaidag, buigen we ons over het handschrift uit 1629 waarin Constantijn deze boude uitspraken doet. Daarvoor gaan we naar de Koninklijke Bibliotheek.

(Peter van den Ploeg)