Nieuws
Constantijn reist naar Venetië: Waaghalzerij in Straatsburg

Peter van der Ploeg, directeur van Huygens’Hofwijck, verhaalt over een reis die Constantijn Huygens 400 jaar geleden naar Venetië  maakte. Vandaag deel 17: Waaghalzerij in Straatsburg, 27 juli 1620.

Na een probleemloze reis van twee dagen vanuit Basel bereikt het gezantschap van François van Aerssen Straatsburg, gelegen in de Elzas. Naar Constantijns oordeel is de stad ‘een van de fraaiste, welvarendste en indrukwekkendste steden van Duitsland. De lucht is er zuiver en de straten zijn mooi, breed en recht, met rijen grote huizen van notabelen en vermogende kooplieden, wat doet denken aan Antwerpen.’ Het stadsbestuur ontvangt de groep met de nodige égards. Na de middagmaaltijd komen de mannen terecht in een huwelijksfeest, in de herberg Der Maurenstube, waar de droge witte wijn uit de streek rijkelijk vloeit en Constantijn en  zijn reisgenoten ‘nog een poos plezierig hebben gedanst met de jongedames.’

Legendarisch is Constantijns bezoek aan Straatsburg vanwege een andere reden. Hij laat zich namelijk rondleiden op de toren van de kathedraal, de Münster, ‘een onvoorstelbaar imposant en kunstig bouwwerk’. Constantijn bestijgt de 660 traptreden tot aan de spits, en klimt vervolgens via een werktrapje nog iets hoger. De spits zelf is niet te beklimmen, tenzij je als een aap langs de uitsteeksels aan de buitenzijde naar boven klautert. Dat doet hij: ‘Dat is anders op het punt waar de trappen ophouden, in de spits zelf. De meesten hebben hier niet de moed om hoger te gaan. De tegenwoordige koning van Bohemen is wel zo nieuwsgierig geweest om helemaal in de top te klimmen en ik trof er de kousenband aan die hij er als herinnering had opgehangen. De Straatsburgers hadden zijn gebaar zo op prijs gesteld, dat er inmiddels een netje van koperdraad overheen was gespannen.’

De koning van Bohemen is Frederik V, Keurvorst van de Pfalz, ook bekend als de Winterkoning. Constantijn bezocht op weg naar Venetië diens kasteel te Heidelberg en zal als secretaris van Frederik Hendrik vanaf 1625 in nauw contact met hem staan, omdat Frederik V dan in ballingschap in Den Haag resideert.

De toren van de kathedraal is 140 meter hoog. De laatste tientallen meters kun je inderdaad uitsluitend langs de buitenkant beklimmen, houvast zoekend aan de pinakels van de spits. Hoe je het ook bekijkt, het is pure, levensgevaarlijke waaghalzerij. Ambassadeur Van Aerssen was waarschijnlijk niet in de buurt op dat moment …

Het is opmerkelijk dat Constantijn in zijn reisjournaal zo ‘cool’ doet over dit wapenfeit. Alsof hij met twee vingers in de neus die toren heeft beklommen, Dat is een halve eeuw later wel anders, wanneer hij als bejaarde man terugkijkt op zijn leven en de bepalende momenten daaruit optekent in zijn autobiografie ‘Mijn leven verteld aan mijn kinderen’.

Daarin is het een geheel andere ervaring geworden: ‘Het grootse Straatsburg kan ik niet passeren zonder een waarschuwing voor het geval dat één der mijnen zich hier ooit in de duizelingwekkende toren naar boven zal wagen. Laat hij gerust in het viervoudige slakkenhuis de trap opgaan en dan zonder enig bezwaar in het achtvoudige de weg omhoog vervolgen. (Cirkelend als een hemelhoge reiger op de vlucht voor een valk, ben ik zelf ook die nauwe trappen in de ijle hoogte opgevlogen en door al dat gecirkel dacht ik dat ik werkelijk een reiger of valk was geworden.) Daar zal hij kunnen bewonderen hoe alle spitsen samenkomen tot één. Maar om dan die spits, die boven de slakkenhuizen angstaanjagend steil de hoogte in steekt, zonder enige omheining te beklimmen langs de buitenwand, dat is gekkenwerk. En de grootste gek ben ik zelf geweest, want zonder me te bedenken greep ik me vast aan puntige en hakige uitsteekseltjes, die ik vervolgens ook wel als steun voor mijn voeten meende te kunnen gebruiken, en zo ben ik helemaal tot in het puntje van de toren geklommen. Ja, ja, absoluut de moeite waard je leven daar te gaan riskeren om schooljongetjes in verrukking te brengen en voer voor hun spreekbeurten te worden! […] Kinderen van mijn bloed, houd dit soort fratsen ver van je. Want als ik jullie zeg hoe ik van die spits naar beneden ben geklommen, hoe ik duizelde van hoogtevrees en met de blik op de Straatsburger daken ver in de diepte, nog een keer zonder hekwerk en met handen en voeten de weg terug maakte tot ik zonder ongelukken weer bij de fameuze slakkenhuizen kwam, dan vertel ik een verhaal dat mij noch jullie plezier zal doen, over een daad waar geen van ons nog graag aan herinnerd wordt.’

Vijftig jaar na dato is de beklimming in Constantijns eigen woorden ‘gekkenwerk’ geworden. Als daad Indrukwekkender, maar in opvoedkundige zin wel afkeurenswaardig. Het had zo maar fout kunnen aflopen, realiseert hij zich. Wijsheid komt met de jaren. (Peter van der Ploeg)