Nieuws
400 Jaar Molen De Vlieger (3) Hulp van de wind

Dit jaar is het 400 jaar geleden, dat molen De Vlieger in Voorburg werd gebouwd. Dat zal in mei worden gevierd met onder andere de uitgave door de Historische Vereniging Voorburg van een boek over de geschiedenis van deze molen. Vooruitlopend op de jubileumviering vertelt molengids Wim van Horssen in de komende weken in Vlietnieuws het een en ander over molen De Vlieger.

In de vorige aflevering heb ik u verteld hoe hier in de 15e eeuw een polder ontstond, een afgesloten gebied met een eigen waterpeil, dat met sluizen ontwaterd werd op de Trekvliet. Naarmate de bodem van de polder verder daalde, werd dat steeds moeilijker. Eerst kon dat alleen bij laag water, maar op een gegeven moment lukte ook dat niet meer. De natuur moest een handje worden geholpen.

Waarschijnlijk zijn er eerst molens die op mens- of paardenkracht werkten, ingezet om het overtollige water uit de Veen- en Binkhorstpolder in de Trekvliet te krijgen. Maar veel zal dat niet hebben geholpen. Om al dat water te verpompen was meer energie nodig dan spierkracht, namelijk windenergie.

Het initiatief voor de plaatsing van poldermolens in ons gebied kwam van het Hoogheemraadschap Delfland. Dit orgaan was al in de 13e eeuw opgericht voor het waterbeheer van het gebied dat op de Maas afwaterde. Delfland omvatte dertien zogenaamde ambachten, waarvan Voorburg er een was. De hoogheemraden hadden op verzoek van de graaf van Holland in het jaar 1408 de eerste windwatermolen in Holland bezocht in Alkmaar. Daarover waren ze zo enthousiast, dat ze al vijf jaar later zo’n molen in Schipluiden lieten bouwen.

Door de aanhoudende wateroverlast in de Veen- en Binkhorstpolder werd besloten om ook hier een windwatermolen te plaatsen. In 1446 werd even ten zuidoosten van de Schenk aan de Trekvliet de (Oude) Veenmolen gebouwd. Deze moest het hele gebied tussen het Haagse Bos, de Broeksloot, de Trekvliet en de Landscheiding bemalen. Dat lukte echter niet. Daarvoor was het gebied veel te groot.

Om het water in de Veen- en Binkhorstpolder beter te kunnen beheersen werd in 1459 in de lengte van de polder, dus parallel aan het Haagse Bos en de Broeksloot, een tussendijk aangelegd, waardoor er twee polders ontstonden: de Veenpolder en de Binnen- of Binkhorstpolder. De (Oude) Veenmolen behoefde voortaan alleen de Veenpolder (795 ha) te bemalen. De kleinere Binkhorstpolder (220 ha) kreeg een eigen molen: de Binkhorstmolen.

Maar ook daarmee was het waterprobleem nog niet opgelost. De boeren in de Binkhorstpolder klaagden steen en been, dat hun land vooral in het najaar en in de winter nauwelijks te gebruiken was. Dat gold ook voor de landeigenaren in de Veenpolder. Beide molens stonden aan de rand van een langgerekt gebied, waardoor dit niet goed te bemalen bleek. Dit probleem werd steeds erger, omdat de bodem bleef dalen. Daarom werd in 1621 midden in de Binkhorstpolder een nieuwe molen gebouwd, die via een Molensloot op de Broeksloot loosde: de Binnenmolen, die later De Vlieger werd genoemd. In 1654 werd ook midden in de Veenpolder een nieuwe molen gebouwd: de Nieuwe Veenmolen.

Hoewel de beheersing van het water door de plaatsing van deze nieuwe molens midden in de polders belangrijk verbeterd was, bleef dit bleef toch in de volgende eeuwen aandacht vragen, zoals uit het vervolg van deze serie zal blijken.

(Foto’s De Nieuwe Veenmolen, Wim van Horssen.  Molens langs de Trekvliet in 1614, collectie Haags Gemeentearchief)