Mening
Een groene woongemeente (3)

De lange termijn als blinde vlek

In de grotere woningbouwprojecten van Leidschendam-Voorburg in de afgelopen ruim 5 jaar zit een duidelijk patroon. Zo is er Schakenbosch waar meer dan 1000 bomen gekapt zijn, de Van Ruysdaellaan waar massaal gebouwd dreigt te gaan worden in de beschermde centrale groenzone, de extreem verdichte Klein Plaspoelpolder waar geen ruimte is gepland voor voldoende bomen, en straks Overgoo waar zelfs de 1 hectare grote nu nog resterende weide moet verdwijnen onder bebouwing.

Al deze projecten staan onder druk om het acute woningtekort op te lossen en liefst binnen een bestuursperiode van 4 jaar meetbare resultaten te leveren. Met als randvoorwaarden de gemeentebegroting en voldoende parkeergelegenheid. Maar al deze projecten laten ook een ruimtelijke erfenis na, waarin het ontbreken van voldoende groen steeds meer gevoeld zal worden naarmate de klimaatverandering haar tanden laat zien.

Deze spanning tussen de korte en de lange termijn zien we in heel Nederland. En het is dus geen toeval dat onlangs meerdere adviesraden zich hierover hebben uitgesproken. Sterker nog, de waarschuwingen stapelen zich op. De Raad van State waarschuwde dat het overheidsbeleid zich te veel richt op acute problemen, en te weinig rekening houdt met komende generaties. De Rekenkamers van de vier grote steden constateerden dat het groenbeleid van deze steden tekortschiet. Gemeentebesturen zien wel het belang van biodiversiteit en een gezonde leefomgeving, en ze willen wel meer vergroenen, maar uiteindelijk lukt het ze niet om daarvoor de noodzakelijke investeringen te doen.

Onlangs waarschuwde de Algemene Rekenkamer dat de overheid de langetermijndoelen verwaarloost. En een dag later waarschuwden ook de Gezondheidsraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad dat klimaatverandering nu al leidt tot gezondheidsschade en sterfte, en dat het huidige beleid onvoldoende is voorbereid op de lange termijn. Hun conclusie is veelzeggend: vergroening en klimaatbestendige wijken moeten structureel onderdeel worden van de ruimtelijke planning.

De kern van het probleem is een blinde vlek in de ruimtelijke planning. Want de lange termijn doelen voor groen worden zelden aan het begin van een ruimtelijk project als harde voorwaarden ingebracht. Ook is het reeds aanwezige groen géén uitgangspunt. Het kan ‘als het in de weg staat’ gewoon verdwijnen en elders gecompenseerd worden. Voldoende bladerdek van bomen (30%) is op zijn best een richtlijn maar nooit een harde voorwaarde. Pas als de

woningbouwdoelstelling en de financiële haalbaarheid voor gemeente en projectontwikkelaar zijn veiliggesteld wordt er gekeken hoe het project alsnog ‘zo groen mogelijk’ kan worden ingericht. Het groen verschijnt dan wel heel prominent in de brochure, maar niet in het ruimtelijke plan. En wat over tien of twintig jaar voelbaar wordt — hitte, gezondheidsproblemen, wateroverlast — verdwijnt naar de achtergrond. Deze blinde vlek voor de leefbaarheid op langere termijn is daarmee ook een systeemfout in onze ruimtelijke planning.

Daarbij vraagt een werkelijk groene woonomgeving niet alleen om wat losse bomen, beplante garagedaken en gevelgroen, maar om voldoende samenhangend bladerdek, en een gelaagde opbouw met struweel en een kruidenlaag. Juist dat bepaalt verkoeling, wateropvang, biodiversiteit en leefkwaliteit. Zolang zulke doelen niet leidend zijn in het ontwerp, blijft groen een sluitpost die moet passen tussen parkeren, verkeer en maximale bebouwing. Een gemeente die hier vandaag geen ruimte voor reserveert, legt daarmee de basis voor een minder leefbare stad in de toekomst. Want wie nu alle ruimte vol tekent en het groen later wil toevoegen, ontdekt dat later meestal betekent: nooit.

Bovendien is compensatie vaak een mythe. Overheden overschatten in hoeverre jonge aanplant de ecologische betekenis van een gerooide oude boomstructuur kan herstellen. In het gunstigste geval is daar over tientallen jaren weer een gelijkwaardig ecosysteem. En als de compensatie elders plaatsvindt is in elk geval op de oorspronkelijke plek sprake van blijvend verlies.

Uiteindelijk is deze blinde vlek mede het gevolg van de tijdsvalkuil. Een wethouder denkt in vier jaar, een projectontwikkelaar in vijftien jaar, maar een boom in tachtig jaar. Politiek en ecologie hebben een andere tijdshorizon, en dat kan alleen opgelost worden door de langetermijndoelen vooraf als harde voorwaarde in elke grotere ruimtelijke planning mee te nemen.

Uiteindelijk gaat het niet alleen om het aantal woningen dat we kunnen inpassen, maar ook om de vraag of we buurten bouwen die over dertig jaar nog gezond en leefbaar zijn. Ik besef dat gemeenten daarbij onder enorme druk staan. Er moeten woningen worden gebouwd, begrotingen moeten sluitend zijn en iedere vierkante meter kent meerdere claims. Juist onder die druk wordt zichtbaar wat goed bestuur is. Dat vraagt ook om andere keuzes in mobiliteit, ruimtegebruik en woningbouw. Daar kom ik in een volgende column graag op terug. Maar een eerste stap is dat groen en leefbaarheid niet achteraf worden ingepast, maar vooraf worden gegarandeerd.

(Sander Wennekers)