2026, een nieuw jaar van bestuurlijke bezinning, of gewoon weer oude wijn in nieuwe zakken? Onze nieuwe, en grotendeels al behoorlijk versleten, volksvertegenwoordigers zijn zich inmiddels aan het warmlopen voor dat ene moment in de vier jaar waarop zij zich onder de bevolking begeven en contact zoeken. Meestal op verzamelplaatsen als winkelcentra anders is er geen beginnen aan. Het doel van deze ontmoetingen is overigens niet om te horen wat inwoners willen, maar om hen vriendelijk uit te leggen wat zij eigenlijk zouden móéten willen.
De bestuurlijke aftrap werd verricht door collegemeester Vroom, op zijn inmiddels vertrouwde, weinig aanstekelijke en nauwelijks innemende wijze.
Van een ongedwongen toespraak was geen sprake. Uit het moeizame omslaan van zijn aan elkaar geniete tekst sprak vooral nerveus ongemak, een gevoel dat nog werd versterkt door het proostglaasje dat aan het einde van zijn betoog even zoek leek. Dat hij deze aftrap naar eigen zeggen al voor de tiende keer deed, was moeilijk te geloven. Het geheel deed meer denken aan iemand die tegen beter weten een mislukt menu probeert te verkopen, met de los/vaste overtuiging dat de klant uiteindelijk toch wel eet wat hem wordt voorgezet.
En dat terwijl de kritiek op dit college bepaald niet van de lucht is. De Mall, Vlietland, de Julianabaan, burgerparticipatie, woningbouwprojecten, OV Voorburg West, parkeren in Voorburg Noord — het zijn slechts enkele gangen uit een rijk gevuld klachtenbuffet. Toch hield de collegemeester de toehoorders moedig voor dat we ,,stapje voor stapje de goede kant op gaan.’’ Moedig voorwaarts, zoals dat een eersteklas reservist betaamt.
De door de gemeente financieel gevoede media — het Krantje en Midvliet — werden royaal overladen met lof. Kritische burgers of onafhankelijke media daarentegen kregen impliciet het predicaat ‘staatsvijand light’. De onderliggende boodschap was helder: ‘wie niet voor ons is, is tegen ons’. Maar het meest typerend voor de college-opstelling was wellicht de mededeling op Linkedln, namens datzelfde college, dat participatiezucht niet bevorderlijk zou zijn voor goed bestuur. Een opmerkelijke constatering in een tijd waarin de kloof tussen burger en bestuur al jaren groeit en actieve betrokkenheid van inwoners juist onmisbaar is.
En wat wil het geval? De gemeenteraad heeft in de selectie voor een nieuwe burgemeester juist zijn oog heeft laten vallen op deze (toekomstige) burgervader die later meer oogt als een frontsoldaat van het systeem dan als een verbindende steunpilaar van de samenleving. Niet de volksvertegenwoordiging die samen met inwoners besluiten neemt, maar een bestuur dat in besloten kring vaststelt wat goed voor ons is. En dat is precies waar het bestuurlijk LV aan mank gaat: men bestuurt naar eigen inzicht, maar vergeet te vertegenwoordigen.
We leven inmiddels in een technocratische democratie waarin regels en kaders die het bestuur gezamenlijk heeft bedacht heilig zijn verklaard in plaats van een levende democratie met een dynamisch karakter. De regels en kaders fungeren als excuus en als onmachtig houvast om besluiten te nemen buiten de zeggenschap — en vaak ook buiten de wil — van de inwoners om. Het mandaat van de kiezer lijkt losgezongen van de morele plicht dienstbaar te zijn aan diezelfde kiezer. Tussentijdse afstemming van de volksvertegenwoordiging of ze nog wel op het goede spoor zitten, of zelfreflectie lijken een bestuurlijke luxe geworden.
Wanneer dit voortduurt ontstaat , zoals we zien, een subcultuur die haar voedingsbodem — de inwoners — uit het oog heeft verloren. Het resultaat is een representatieve democratie met een krappe 50% opkomst die steeds moeilijker serieus te nemen valt. Dat beeld wordt ronduit zorgwekkend wanneer uit gemeentelijk onderzoek blijkt dat het vertrouwen in de gemeenteraad nog slechts 10% bedraagt. Dat deze alarmerende feiten nauwelijks lijken door te dringen tot de bestuurscultuur is op zijn zachtst gezegd verontrustend. Ik zeg schokkend! Bij mij zou het schaamrood op de kaken staan.
Een fundamentele oorzaak van deze democratische scheefgroei ligt onder meer in het feit dat verkiezingsprogramma’s doorgaans worden geschreven door een select gezelschap partijstrategen, ver verwijderd van de dagelijkse werkelijkheid van inwoners en niet in samenspraak met de inwoners. Gedreven door electorale winst wordt het programma vaak opgepoetst tot een variatie op u vraagt en wij draaien, zolang het maar niet te letterlijk wordt genomen.
Moeten we niet zuiniger zijn op één van de betere democratische bestuursvormen die deze aardbol kent? Zou het daarom niet dringend wenselijk zijn het huidige bestuurlijke en systemische functioneren eens grondig tegen het licht te houden? Verbetering en aanpassing aan een dynamische maatschappij is zeker aan de orde. Preventie lijkt mij nog altijd verkieslijker dan democratisch herstel achteraf.
Maar als ik kijk naar hoe de komende raadsverkiezingen zich ontvouwen, slaat de schrik mij om het hart, stijgt de warmte naar mijn hoofd en voel ik mij tegelijkertijd in de kou staan. De volgende keer maar eens de programma’s en partijen zelf onder het vergrootglas leggen.
(Burgermans, inwoner)




